Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. reëel
    echt; voorkomend; feitelijk; eigenlijk; lichamelijk; werkelijk; als in de werkelijkheid; werkelijk
    "een reë(e)l(e) kans/gevaar/risico"
    Synoniemen: werkelijk, bestaand, eigenlijk, existent, feitelijk, fysiek, waarachtig, effectief, natuurlijk
  2. reëel
    verstandig, zakelijk
    "een reële schatting/kijk/kerel/vent"
    Synoniemen: pragmatisch, praktisch, prozaïsch, koel, nuchter, realistisch, zakelijk
  3. reëel
    met de werkelijkheid overeenstemmend
    "Dat is geen reële voorstelling van zake."
  4. reëel
    tot de verzameling getallen behorend die op de getallenrechte ligt
  5. reëel
    geneigd zich praktisch op te stellen
    "Hij is een stuk reëler geworden."
  6. reëel
    tweede betekenisomschrijving
    "Zin met het reëel in de tweede betekenis erin."

Voorbeeldzinnen

  1. Bedrijfs-resultaat (EBIT) 2002 (reëel)
  2. (Reëel/geraamd/gemiddeld gewicht van de soorten)
  3. Ten derde was dit publieke belang reëel.
  4. Disconteringspercentage (reëel disconteringspercentage) = [risicovrij rendement + (marktrisicopremie x β)] - inflatiepercentage.
  5. Vermeld of de voet reëel of nominaal is.
  6. De Commissie kan deze gestelde eigen bijdragen dan ook niet als reëel en actueel aanmerken.
  7. De hoeveelheid wordt aangegeven als een reëel getal met drie decimalen.
  8. Met de sonde moet een reëel monster worden genomen van de verdunde uitlaatgassen.
  9. De participatie van de particuliere investeerder moet reëel economisch belang hebben.
  10. De bijdrage moet reëel — dus actueel — zijn, onder uitsluiting van alle voor de toekomst verwachte winst en kasstromen.